001

Piet is 18 jaar en Jan 20 jaar, wie is ouder?

Jan

002

's nacht... is het dan donker of licht?

Donker

003

1 minuut hoeveel seconden is dat?

60

004

1 uur... hoeveel kwartier is het?

Vier

005

1 uur... hoeveel minuten is dat?

60

006

1 uur... is dat 60 minuten of 60 seconden?

60 minuten

007

2 dagen... hoeveel uur is dat?

48

008

Achmed is korter dan Ali... wie is er langer?

Ali

009

Als iets duur is moet je dan veel of weinig geld betalen?

Veel

010

Als iets eenvoudig is, is het dan makkelijk of moeilijk?

Makkelijk

011

Als iets gemakkelijk is... is het dan makkelijk of moeilijk?

Makkelijk

012

Als iets ingewikkeld is, is het dan makkelijk of moeilijk?

Moeilijk

013

Als iets kookt, is het dan heet of koud?

Heet

014

Als iets mag is het dan toegestaan of verboden?

Toegestaan

015

Als ik blind ben kan ik dan niet zien of niet horen?

Niet zien

016

Als ik boos ben... ga ik dan lachen?

Nee

017

Als ik verdrietig ben, ben ik dan blij?

Nee

018

Als je 100 jaar bent... ben je dan jong?

Nee

019

Als je arm bent heb je dan veel of weinig geld?

Weinig

020

Als je een groot gezin hebt, heb je dan veel of weinig kinderen?

veel

021

Als je op reis gaat, blijf je dan thuis of ga je dan weg?

Weg

022

Als je rijk bent heb je dan veel of weinig geld ?

Veel

023

Als je thee zet, gebruik je dan heet water of gebruik je koud water?

heet

024

Als je vingers brand is dat fijn of pijnlijk?

Pijnlijk

025

Als ze zon schijnt is het dan mooi weer of slecht weer ?

Mooi

026

Ben je gezond of ziek als je de griep hebt?

Ziek

027

Ben je groot als je klein bent?

Nee

028

Bijna... is dat helemaal?

Nee

029

Blind... is dat anders dan doof?

Ja

030

Doe je een jas aan je voeten of aan je schouders?

Schouders

031

Doe je een pet op je hoofd?

Ja

032

Doe je het licht aan of in?

Aan

033

Doe je het licht aan of uit als het donker is?

Aan

034

Doe je het licht in het donker uit of aan?

Aan

035

Doe je sokken aan je handen?

Nee

036

Draag je een jas binnen of buiten?

Buiten

037

Een auto, heeft die twee wielen of vier wielen?

Vier

038

Een half uur... hoeveel minuten is dat?

30

039

Een neef... is dat een man of een vrouw?

Man

040

Eet je in de ochtend een ontbijt?

Ja

041

Fiets je op een rivier of op een pad?

Pad

042

Fluisteren... is dat zacht?

Ja

043

Gaat een slak snel of langzaam ?

Langzaam

044

Geeft een leraar les?

Ja

045

Gezond... is dat hetzelfde als ongezond?

Nee

046

Heb je heet water nodig om te koken?

Ja

047

Heeft de mens een lichaam?

Ja

048

Heeft de zee zout of zoet water?

Zout

049

Heeft een auto een stuur?

Ja

050

Heeft een boom bladeren?

Ja

051

Heeft een huis een huiskamer?

Ja

052

Heeft een leeuw benen of poten?

Poten

053

Heeft een man een baard?

Ja

054

Heeft een mens twee benen of drie benen?

Twee

055

Heeft een mens vier of twee voeten?

Twee

056

Heeft een mens vijf handen of twee handen?

Twee

057

Heeft een mens vijf ogen?

Nee

058

Heeft een paard benen of poten?

Poten

059

Heeft een verkeerslicht drie of zes kleuren ?

Drie

060

Heeft een verkeerslicht drie of zes lichten?

Drie

061

Het is 12 uur... over twintig minuten is het?

10 voor half 1

062

Het is nu negen uur... over een half uur is het?

Half 10

063

Het is nu oktober... volgende maand is het?

November

064

Het is nu twee uur... over een kwartier is het...?

Kwart over twee

065

Het is nu vrijdag... eergisteren was het?

Woensdag

066

Het is nu woensdag... gisteren was het...?

Dinsdag

067

Het is nu zes uur... over twee uur is het...?

8 uur

068

Het is vandaag zaterdag... overmorgen is het...?

maandag

069

Hoe heet een weg boven de rivier?

Een brug

070

Hoe noem je de dochter van je oom?

Nicht

071

Hoe noem je de dochter van je tante?

Nicht

072

Hoe noem je de man van je zus?

Zwager

073

Hoe noem je de moeder van je moeder?

Oma

074

Hoe noem je de moeder van je moeder?

Oma

075

Hoe noem je de moeder van je vader?

Oma

076

Hoe noem je de vader van je moeder?

opa

077

Hoe noem je de vrouw van je broer?

Schoonzus

078

Hoe noem je de zoon van je oom?

Neef

079

Hoe noem je een meisje als ze volwassen is?

Vrouw

080

Hoe noem je het gebouw waar kinderen les krijgen?

school

081

Hoe noem je iemand die groente verkoopt?

groenteboer of groenteman

082

Hoe noem je iemand die niet kan zien?

Blind

083

Hoe noem je iemand die niets kan horen?

doof

084

Hoe noem je iemand die uit Nederland komt?

Nederlander

085

Hoe smaakt suiker?

Zoet

086

Hoeveel benen heeft een mens?

Twee

087

Hoeveel centimeter gaan er in een meter?

Honderd

088

Hoeveel centimeter is een meter?

100

089

Hoeveel dagen heeft januari?

31

090

Hoeveel dagen telt een week?

7

091

Hoeveel hoeken heeft een vijfhoek?

Vijf

092

Hoeveel is 10 gedeeld door 2?

vijf

093

Hoeveel is vier plus zes?

Elf

094

Hoeveel kwartier heeft een uur?

4

095

Hoeveel maanden heeft een jaar?

Twaalf

096

Hoeveel neuzen heeft een mens?

1

097

Hoeveel ogen heeft een mens?

Twee

098

Hoeveel pond gaat er in een kilo ?

Twee

099

Hoeveel poten heeft een tafel?

Vier

100

Hoeveel seizoenen heeft een jaar?

Vier

101

Hoeveel uur heeft een dag?

24

102

Hoeveel vingers heeft een mens?

Tien

103

Hoeveel voeten heb je?

Twee

104

Hoeveel voeten heeft een mens?

Twee

105

Hoeveel wieken heeft een molen?

Vier

106

Hoeveel wielen heeft een auto?

Vier

107

Hoeveel zijden heeft een driehoek?

drie

108

Iemand met een hoog salaris verdient hij veel of weinig?

Veel

109

Iemand met een laag salaris verdient hij veel of weinig?

Weinig

110

In de winter doe je het raam open of dicht?

Dicht

111

In welk seizoen schijnt de zon het meest?

Zomer

112

In welke maand is het kerst?

December

113

Is 35 minder dan 40?

Ja

114

Is de basisschool voor volwassenen?

Nee

115

Is de herfst kouder dan de zomer?

Ja

116

Is de nacht licht of donker?

Donker

117

Is de zon rond of vierkant?

Rond

118

Is de zon warm of koud?

Warm

119

Is een appel gezond?

Ja

120

Is een appel groente of fruit?

Fruit

121

Is een auto om in te rijden, of om te koken?

Te rijden

122

Is een berg hoog of laag?

Hoog

123

Is een bloemkool groente of fruit?

Groente

124

Is een broek kleding?

Ja

125

Is een dag langer dan een jaar?

Nee

126

Is een dame een man of een vrouw?

Vrouw

127

Is een flat laag of hoog?

Hoog

128

Is een gezicht vierkant?

Nee

129

Is een heer een man of een vrouw?

Man

130

Is een hengst een man of een vrouw?

Man

131

Is een hond paars?

Nee

132

Is een huis een gebouw?

Ja

133

Is een jongen een man of een vrouw?

man

134

Is een jurk voor een meisje of een jongen?

Meisje

135

Is een jurk voor mannen of voor vrouwen?

Voor vrouwen

136

Is een kerk een gebouw of een poort?

Een gebouw

137

Is een kerk een gebouw of een poort?

gebouw

138

Is een kind van 8 jaar volwassen?

Nee

139

Is een kip een man of een vrouw?

Vrouw

140

Is een koe een mens of een dier?

Dier

141

Is een lammetje ouder dan een schaap?

Nee

142

Is een merrie een man of een vrouw?

Vrouw

143

Is een opa oud of jong?

Oud

144

Is een oven om te koken of om te bakken?

Bakken

145

Is een pannekoek rond of vierkant?

Rond

146

Is een peer groente of fruit?

Fruit

147

Is een peer groente?

Nee

148

Is een schaap jonger dan een lammetje?

Nee

149

Is een sinaasappel paars of oranje?

Oranje

150

Is een stier een man of een vrouw?

Man

151

Is een taart zoet of zuur ?

Zoet

152

Is een tomaat fruit?

Nee

153

Is een toren laag of hoog?

Hoog

154

Is een toren laag?

Nee

155

Is een trein een vervoersmiddel?

Ja

156

Is een trui kleding?

Ja

157

Is een wortel oranje?

Ja

158

Is eenvoudig hetzelfde als makkelijk?

Ja

159

Is gras groen?

Ja

160

Is het in de nacht licht of donker?

donker

161

Is iemand die hoofdpijn heeft ziek?

Ja

162

Is ijs warm of koud?

koud

163

Is Jan een jongen?

Ja

164

Is Jan een naam of een land?

Een naam

165

Is jan een voornaam of een achternaam?

Voornaam

166

Is januari een dag of een maand?

Maand

167

Is januari een seizoen?

Nee

168

Is je broer een man of een vrouw?

Man

169

Is je moeder een man of een vrouw?

Vrouw

170

Is je neefje een jongen of een meisje?

Jongen

171

Is je nicht de zoon van je tante?

Nee

172

Is je nicht een man of een vrouw?

Vrouw

173

Is leraar een beroep?

Ja

174

Is moeder een beroep?

Nee

175

Is oktober een seizoen of een maand?

Maand

176

Is oma een mens of een dier?

Mens

177

Is opa een man of een vrouw?

Man

178

Is Parijs een stad of een land?

Stad

179

Is roken gezond of ongezond?

Ongezond

180

Is snoep gezond?

Nee

181

Is sporten gezond of ongezond?

Gezond

182

Is sporten gezond?

Ja

183

Is tekenen een hobby of een beroep?

Hobby

184

Is twintig minuten langer dan 30 minuten?

Nee

185

Is vlees om te drinken?

Nee

186

Is water uit een sloot gezond?

Nee

187

Is water vast of vloeibaar?

Vloeibaar

188

Is woensdag een dag of een maand?

Dag

189

Is zondag een werkdag?

Nee

190

Is zuurkool groente of fruit?

Groente

191

Jan is ouder dan Piet. Wie is het jongst?

Piet

192

Kan een baby praten?

Nee

193

Kan een eend in het water zwemmen?

Ja

194

Kan een haan een ei leggen?

nee

195

Kan een kip zwemmen?

Nee

196

Kan een paard hinniken of blaffen?

Hinniken

197

Kan een paard mekkeren?

Nee

198

Kan een paard vliegen?

Nee

199

Kan een stier melk geven?

Nee

200

Kan een vis zwemmen?

Ja

201

Kan een vliegtuig vliegen?

Ja

202

Kan iemand die blind is zien?

Nee

203

Kan ik met een bril kijken?

Ja

204

Kan je met een boot varen of vliegen?

Varen

205

Kan je schaatsen als het koud is, of warm?

Koud

206

Kapot... is dat heel of stuk?

Stuk

207

Kerst is dat in september of december?

December

208

Kim is 18 jaar en Peter is 32 jaar wie is er ouder?

Peter

209

Kim is langer dan peter... is kim het langst?

Ja

210

Komt er uit de kraan alleen warm water?

Nee

211

Kruipen... is dat snel of langzaam?

Langzaam

212

Kun je in een supermarkt kleren kopen?

Nee

213

Kun je kleren eten?

Nee

214

Kun je koek eten of drinken?

Eten

215

Kun je melk eten of drinken?

Drinken

216

Kun je met een auto rijden of vliegen?

Rijden

217

Kun je met een lepel eten?

Ja

218

Kun je met een mond zien of praten?

Praten

219

Kun je met een neus ruiken of zien?

Ruiken

220

Kun je met een vliegtuig vliegen?

Ja

221

Kun je met geld betalen?

Ja

222

Kun je op een stoel zitten?

Ja

223

Kun je rijst eten of drinken?

Eten

224

Kun je schaatsen als het koud is, of warm?

Koud

225

Kunnen vogels vliegen of rijden?

Vliegen

226

Legt een haan een ei?

Nee

227

Mijn ouders hebben elf kinderen... hebben wij een klein gezin?

Nee

228

Mijn vader is langer dan mijn moeder... wie is het langst?

Vader

229

Noem een werkdag...

maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag

230

Nu is het maandag, welke dag was het gisteren?

Zondag

231

Piet is dunner dan Jan... wie is het dikst?

Jan

232

Regen, is dat nat of droog?

Nat

233

Renate is 15 en Anne is 13... wie is er jonger?

Anne

234

Rennen... is dat snel of langzaam?

Snel

235

Sandra is zwaarder dan Kim... wie is het lichtst?

Kim

236

Schaatsen... doe je dat als het koud is?

Ja

237

Schijnt de zon 's nachts of overdag?

Overdag

238

Schijnt de zon in de nacht?

Nee

239

Schijnt de zon overdag?

Ja

240

Schreeuwen is dat hard of zacht?

Hard

241

Schrijf je met een pen of een berg?

Pen

242

Slapen doe je in een...

bed

243

Sneeuwt het in de winter of in de lente?

Winter

244

Sneeuwt het in de winter of in de zomer?

Winter

245

Staat een oven in de keuken?

Ja

246

Tim is korter dan Jan... wie is het langst?

Jan

247

Trek ik een jas aan als ik naar buiten of naar binnen ga?

Buiten

248

Valt er sneeuw in de zomer?

Nee

249

Van welk dier komt wol?

Schaap

250

Vandaag is het vrijdag... overmorgen is het?

Zondag

251

Waar ga je naar toe als je ziek bent?

De dokter

252

Waar ga je naar toe als je ziek bent?

Ziekenhuis

253

Waar koop je kleren?

Winkel

254

Waar moet je in de winkel betalen?

Cassa

255

Waar overnacht je als je op reis ben, thuis of in een hotel?

Hotel

256

Waar woon je?

Lima

257

Waar woont een koning?

Paleis

258

Waar woont u?

ik woon in ... lima

259

Waar zijn meer dieren in het museum of in de boerderij?

Boerderij

260

Waarvan wordt brood gebakken?

Meel

261

Wanneer is de lunch?

's Middags

262

Wanneer wordt je meestal wakker, 's-ochtends of 's-avonds ?

's ochtends

263

Warmte... is dat droog of nat?

Droog

264

Wat doe je aan je voeten?

Schoenen

265

Wat doe je aan onder jou schoenen?

Sokken

266

Wat doe je buiten aan als het koud is?

Jas

267

Wat doe je in bad?

Wassen

268

Wat doe je in de keuken?

Koken

269

Wat doe je in een bed?

Slapen

270

Wat doe je in een keuken?

Koken

271

Wat doe je in een slaapkamer?

Slapen

272

Wat doe je in je portemonnee?

geld

273

Wat doe je met een boek?

Lezen

274

Wat doe je met een bril?

Kijken

275

Wat doe je met een glas?

Drinken

276

Wat doe je met een handoek?

Drogen

277

Wat doe je met een kam?

Kammen

278

Wat doe je met een lepel?

Eten

279

Wat doe je met een mes?

snijden

280

Wat doe je met een nagelschaar?

Nagels knippen

281

Wat doe je met een neus?

Ruiken

282

Wat doe je met een oven?

bakken

283

Wat doe je met een pen?

Schrijven

284

Wat doe je met een schaar?

knippen

285

Wat doe je met een vork?

Eten

286

Wat doe je met een vork?

Prikken

287

Wat doe je met een weegschaal?

Wegen

288

Wat doe je met je mond?

Eten

289

Wat doe je met je mond?

praten

290

Wat doe je met je oren?

Horen

291

Wat doe je met speelgoed?

Spelen

292

Wat doen kinderen in een speeltuin?

Spelen

293

Wat doen kinderen op school?

Studeeren

294

Wat doet een bakker, brood bakken of melk maken?

Brood bakken

295

Wat doet een bakker?

Brood bakken

296

Wat doet een geit?

Mekkeren

297

Wat doet een hond?

Blaffen

298

Wat doet een paard?

Hinniken

299

Wat doet een poes?

Miauwen

300

Wat doet een schilder?

Schilderen

301

Wat doet een vogel?

Vliegen

302

Wat een kun je met een videocamera?

Filmen

303

Wat gebeurt er met sneeuw als het warm wordt?

Smelt

304

Wat gebeurt met sneeuw als het warm is?

Smelt

305

Wat gebruik je met een spijker, een hamer of een pan?

Hamer

306

Wat geeft een koe?

Melk

307

Wat heb je nodig om te strijken?

Strijkijzer

308

Wat is de eerste dag van de week?

Maandag

309

Wat is de eerste maand van het jaar?

Januari

310

Wat is de laatste dag van de week?

Zondag

311

Wat is duurder... een trui van 15 euro of 30 euro?

30 euro

312

Wat is eerder... acht uur of half negen?

Acht uur

313

Wat is gezonder een sinaasappel of chocola?

Sinaasappel

314

Wat is gezonder melk of limonade?

Melk

315

Wat is gezonder snoep of fruit?

Fruit

316

Wat is gezonder... patat of een peer?

Peer

317

Wat is groter een kip of een schaap ?

Schaap

318

Wat is groter een muis of een konijn?

Konijn

319

Wat is groter, een boom of een plant?

boom

320

Wat is groter, een paard of een hond?

Paard

321

Wat is harder... schreeuwen of fluisteren?

Schreeuwen

322

Wat is kleiner een auto of een vliegtuig?

Auto

323

Wat is korter een jaar of een dag?

Een dag

324

Wat is korter een kwartier of vijf minuten?

Vijf minuten

325

Wat is korter... en jaar of een dag?

Een dag

326

Wat is langer een been of een arm?

been

327

Wat is langer een uur of 60 minuten?

Even lang

328

Wat is langer een uur of een kwartier?

Uur

329

Wat is later 12 uur of half 11?

Twaalf uur

330

Wat is later, half acht of acht uur ?

Acht uur

331

Wat is meer, een ons koekjes of 100 gram?

Dezelfde

332

Wat is meer, vijf euro of twee euro?

Vijf euro

333

Wat is meer, zeven euro of negen euro?

Negen euro

334

Wat is meer... 64 euro of 65 euro?

65

335

Wat is minder 50 euro of 15 euro?

15

336

Wat is minder, twintig euro of vijftien euro?

Vijftien euro

337

Wat is minder... 24 euro of 11 euro?

11 euro

338

Wat is sneller... rennen of kruipen?

Rennen

339

Wat is warmer, de zomer of de winter?

Zomer

340

Wat is zoet, suiker of zout?

Suiker

341

Wat is zwaarder, een kilo of een pond?

Kilo

342

Wat is zwaarder, een ons boter of een ons meel?

Dezelfde

343

Wat is zwaarder, een pond gehakt of 500 gram?

Dezelfde

344

Wat kan een vis?

Zwemmen

345

Wat kan een vliegtuig?

Vliegen

346

Wat komt eerder, dinsdag of donderdag ?

Dinsdag

347

Wat komt er na acht?

Negen

348

Wat komt er na de lente?

Zomer

349

Wat komt er na de zomer?

Herfst

350

Wat komt uit de kraan?

water

351

Wat kun je doen met een mes?

snijden

352

Wat kun je in een vaas zetten?

Bloemen

353

Wat kun je met een auto?

Rijden

354

Wat kun je met een fluit?

Fluiten

355

Wat kun je met een potlood?

Schrijven

356

wat kun je met een potlood?

Tekenen

357

Wat kun je met een telefoon?

Bellen

358

Wat kun je met een videocamera?

Filmen

359

Wat kun je met een vork?

eten

360

Wat kun je met geld?

Betalen

361

Wat kun je op een stoel?

Zitten

362

Wat legt een ei?

Kip

363

Wat maak je met een fototoestel?

Foto's

364

Wat maakt een fietsenmaker?

Fietsen

365

Wat noem je jou vader en jou moeder sammen?

Ouders

366

Wat noemen we het weekend?

Zaterdag en zondag

367

Wat smaakt zoet suiker of zout?

suiker

368

Wat stroomt er in de rivier?

Water

369

Wat verkoopt een groenteman?

Groenten

370

Wat wordt er op 5 december gevierd?

Sinterklaas

371

Wat zet je in een vaas?

Bloemen

372

Wat zit er in je portemonnee?

geld

373

Wat zwemt in water, een vis of een kip?

Vis

374

Welk dier blaft?

Hond

375

Welk dier legt eieren?

Kip

376

Welk getal is groter... 55 of 65?

65

377

Welk getal komt na 19?

20

378

Welk getal komt na 65?

66

379

Welk getal komt voor 15?

14

380

Welk seizoen is het koudst?

Winter

381

Welk seizoen is het warmst?

De Zomer

382

Welk seizoen is kouder... de herfst of de lente?

De herfst

383

Welk seizoen komt na de lente?

Zomer

384

Welke dag komt er na donderdag?

Vrijdag

385

Welke dag komt voor donderdag?

Woensdag

386

Welke dag komt voor zondag?

Maandag

387

Welke kleur heeft bloed?

Rood

388

Welke kleur heeft de lucht?

Blauw

389

Welke kleur heeft een aardbei?

Rood

390

Welke kleur heeft een banaan?

Geel

391

Welke kleur heeft een tomaat?

Rood

392

Welke kleur heeft gras?

Groen

393

Welke kleur heeft sneeuw?

Wit

394

Welke maand komt er voor April?

Maart

395

Welke maand komt na augustus?

september

396

Welke maand komt na januari?

februari

397

Welke maand komt na mei?

Juni

398

Welke maand komt voor december?

November

399

Welke maand komt voor mei?

April

400

Wie woont er op een boerderij?

boer

401

Wie zorgt voor de molen?

Molenaar

402

Word je van patat dik?

Ja

403

Wordt iets duurder met korting?

Nee

404

Wordt iets goedkoper met korting?

Ja

405

Zien alle mensen er hetzelfde uit?

Nee

406

Zijn dieren hetzelfde als mensen?

Nee

407

Zijn groente en fruit goed voor de gezondheid?

Ja

408

Zijn groenten gezond?

Ja

409

Zijn oorbellen sieraden?

Ja

410

Zijn schoenen om te lopen of om te drinken?

Lopen

411

Zijn wielen rond of vierkant?

rond