Zeg na



001

De man zit op de stoel

De man zit op de stoel

002

Dat is duur

Dat is duur

003

Ik begrijp het niet

Ik be-grijp het niet

004

De jongen zit aan tafel

De jon-gen zit aan ta-fel

005

Hij heeft honger

Hij heeft hon-ger

006

Waarom doe je dat ?

Waar-om doe je dat ?

007

Ik sta voor de deur

Ik sta voor de deur

008

De hond blaft

De hond blaft

009

Doe het licht aan

Doe het licht aan

010

De boot vaart op het water

De boot vaart op het wa-ter

011

De trein staat op het station

De trein staat op het sta-tion

012

Ik heb dorst

Ik heb dorst

013

Wie wil er een koekje ?

Wie wil er een koek-je ?

014

Het is heel druk

Het is heel druk

015

Dat is heel mooi

Dat is heel mooi

016

De vogel vliegt weg

De vo-gel vliegt weg

017

Een auto heeft vier wielen

Een au-to heeft vier wiel-en

018

Het meisje gaat naar school

Het meis-je gaat naar school

019

Een uur heeft zestig minuten

Een uur heeft zes-tig mi-nu-ten

020

Dat is genoeg

Dat is ge-noeg

021

Kun je me helpen ?

Kun je me hel-pen ?

022

Hij had het bijna goed

Hij had het bij-na goed

023

Wat is dat erg !

Wat is dat erg !

024

Twintig is meer dan twaalf

Twin-tig is meer dan twaalf

025

Ik ben ouder dan hem

Ik ben ou-der dan hem

026

Het eten is lekker

Het e-ten is lek-ker

027

De koe geeft melk

De koe geeft melk

028

Ik lust geen spruiten

Ik lust geen sprui-ten

029

Het water in zee is zout

Het wa-ter in zee is zout

030

Vandaag is het woensdag

Van-daag is het woens-dag