Zeg na



001

Aan het eind van de maand is mijn geld altijd op.

002

Achter de wolken schijnt de zon.

003

Achter deze zin komt een punt.

004

Aisha wast haar baby.

005

Ali mag met zijn vader mee naar Schiphol.

006

Ali viel in slaap, hij was erg moe.

007

Alle wegen leiden naar Rome.

008

Als iets ingewikkeld is dan is het moeilijk

009

Als ik ga winkelen koop ik vaak schoenen.

010

Als ik op reis ga neem ik mijn koffer mee

011

Als je iets niet weet dan moet je het vragen

012

Als je niet opschiet zul je te laat zijn.

013

Als kind wilde ik altijd naar het strand gaan.

014

Als ze tenminste op tijd zijn.

015

Amerika voetbalt vanavond tegen Marokko

016

Anders nog iets ?

017

Bemoei je er niet mee.

018

Bemoei je met je eigen zaken!

019

Ben je bang voor die grote hond?

020

Ben je getrouwd?

021

Beter een half ei dan een lege dop.

022

Bij dat ongeluk is hij aan de dood ontsnapt

023

Bij de gemeente kun je je paspoort ophalen

024

Bij de supermarkt kan je van alles krijgen.

025

Bij uitzondering hebben we vandaag geen huiswerk

026

Binnen een uur waren we klaar met de repetitie

027

Blijf op je plaats zitten

028

Chinees is moeilijker dan Nederlands

029

Daar heb ik nog nooit van gehoord.

030

Daar heeft u gelijk in

031

Daar kopen we vis en vlees

032

Daar krijg je betere kwaliteit en tegen een goede prijs

033

Daar kun je naar fluiten.

034

Daar was een hoge heg tussen mijn huis en de tuin.

035

Dan hoort hij de stem van zijn vriend achter zich.

036

Dat doet de deur dicht!

037

Dat gaat per ongeluk

038

Dat grapje loopt uit de hand

039

Dat is een mooi verhaal.

040

Dat is heel wat sneller dan met de auto

041

Dat is in orde

042

Dat is niet goed geregeld.

043

Dat is toch niet mijn probleem.

044

Dat kan bij het loket of bij de automaat

045

Dat kan iedereen wel zeggen.

046

Dat kan wel kloppen.

047

Dat komt goed uit

048

Dat komt voor elkaar

049

Dat kun je op je vingers natellen.

050

Dat potlood is van hem

051

Dat schilderij herinnert mij aan vroeger.

052

Dat stond in de krant van gisteren.

053

Dat was een pijnlijke vergissing!

054

De aardappels zijn op!

055

De Amerikanen reizen naar de planeten

056

De appels zijn hard, ze zijn nog niet rijp.

057

De bananen kosten 50 cent per stuk

058

De bel gaat om acht uur

059

De bloemetjes buiten zetten.

060

De buren hebben een mooie auto.

061

De chauffeur vraagt om in de bus niet te roken

062

De chirurg wist na de operatie niet wat hij moest zeggen.

063

De dief ging de politie met een mes te lijf

064

De druppel die de emmer doet overlopen.

065

De eend zwemt lekker in het water.

066

De eerste klap is een daalder waard.

067

De fabriek ontslaat een aantal arbeiders

068

De gemeenteraad noemen we het parlement

069

De hond is in een diep gat gevallen.

070

De hond kan hard blaffen

071

De hond schrok van het vuurwerk

072

De huisarts heeft elke dag tot tien uur spreekuur

073

De inbreker steelt het geld uit de kluis

074

De jongen schopt de bal in het doel

075

De jongens gaan vanmiddag voetballen

076

De jongste kinderen zitten in groep 1

077

De kapper scheert zijn klanten.

078

De kinderen hebben een schoolplein om op te spelen

079

De kinderen hebben vrij, ze hoeven niet naar school.

080

De kinderen komen vanavond bij ons eten

081

De kinderen vinden sinaasappels lekker

082

De kinderen zingen een lied

083

De klok loopt goed

084

De koopman weegt de appels met een weegschaal

085

De krant geeft commentaar op het nieuws

086

De leerlingen barstten in lachen uit

087

De leerlingen blijven op deze scholen

088

De leerlingen lachen om de grap van de leraar

089

De leerlingen schuiven de stoelen onder de tafels

090

De leraar engels is vandaag niet op school

091

De leraar engels is vandaag niet op school, hij is ziek

092

De leraar geeft veel huiswerk.

093

De lerares belooft op bezoek te komen

094

De lerares vergiste zich in mijn naam.

095

De lift is buiten werking

096

De man heeft de supermarkt gesloten.

097

De markt is alleen vandaag gesloten.

098

Het meel voor het brood hebben we in de molen gemaakt.

099

De meester denkt er nog over na

100

De meester komt om negen uur op school

101

De meester veegt het bord schoon

102

De mens bestaat voor 70% uit water

103

De mooi weilanden en vele dieren ik heb gezien.

104

De muizen vreten van de kaas

105

De oude dame past op haar kleinkinderen

106

De politie brengt haar naar het ziekenhuis

107

De prijs van kool is hoger dan een week geleden

108

De puntjes op de I zetten.

109

De regering heeft de uitkeringen verhoogd

110

De rijke man deed zich voor als een bedelaar

111

De ruzie gaat over een gum

112

De school begint altijd om 8 uur.

113

De soldaten vechten tegen de vijand.

114

De studenten zien tegen de professor op

115

De supermarkt is om de hoek

116

De tandarts heeft twee kiezen getrokken

117

De telefoon is in gesprek

118

De timmerman meet de lengte van de balk

119

De toetsen staan voor de deur

120

De trein naar Parijs vertrekt van perron 4

121

De treinen rijden naar die steden

122

De tuinman graaft een kuil voor een nieuwe boom

123

De tuinman heeft de planten verplaatst

124

De vakantie is achter de rug

125

De verjaardag van Niels wordt altijd gevierd

126

De vogel blijft op een hoge tak zitten.

127

De vogel is naar het zuiden gevlogen.

128

De vogel vliegt door de lucht

129

De volgende keer beginnen we hier.

130

De volgende keer betaal ik.

131

De vrouw ruilt haar jurk in voor een andere.

132

De zanger mag met een orkest optreden

133

De zon is te laat ondergegaan.

134

Denk je aan je huiswerk?

135

Deze broek staat me niet.

136

Deze familie heeft twee huizen gerenoveerd.

137

Deze korte broek past niet.

138

Deze melk is niet goed meer.

139

Deze rechthoek is vier bij vijf centimeter

140

Deze straat komt uit op het stationsplein

141

Die jongen is erg handig met naald en draad

142

Die jongens hebben ons bestolen

143

Die opmerking viel helemaal verkeerd.

144

Die school is erg groot

145

Die vertrekt elk half uur vanuit Rotterdam

146

Die vind ik in de supermarkt veel te duur

147

Dieren vechten vaak met elkaar

148

Dit boek bestaat uit drie delen

149

Dit boek gaat over de geschiedenis van Amerika.

150

Dit is twee euro teveel.

151

Dit zijn eieren van onze kippen

152

Doe je het licht uit als je weggaat ?

153

Doe jij de deur op slot als je straks vertrekt?

154

Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.

155

Door deze straat kom je bij het station

156

Een ander huis zoeken is voor later zorg

157

Een auto rijdt een man aan

158

Een bromfiets rijdt snel maar een motor rijdt sneller

159

Een citroen is zuurder dan een sinaasappel

160

Een goed begin is het halve werk.

161

Een jaar geleden waren er meer bomen en planten in het bos.

162

Een papegaai houdt van nazeggen

163

Een zoon woont nog bij ons thuis.

164

Eens even op de klok kijken

165

Eerlijk duurt het langst.

166

Eigenlijk doe ik dat liever niet.

167

Elk huisje heeft zijn kruisje.

168

Elke plaats is makkelijk te bereiken

169

Els doet de tuin voor haar plezier

170

Er komt nog vijftien euro kosten bij

171

Er loopt een fluitende jongen in de gang

172

Er wonen veel mensen in mijn land

173

Er zijn hier drie of vier opleidingen

174

Fred moet deze week de boodschappen betalen

175

Ga je mee ?

176

Ga je mee naar buiten?

177

Ga je morgen mee naar het strand, het wordt lekker weer.

178

Ga op je hurken zitten

179

Geen rozen zonder doornen.

180

Gelukkig heb ik mijn portemonnee nog gevonden

181

Gezelligheid kent geen tijd.

182

Gister regende het.

183

Gisteren mocht de boer zijn heg niet snoeien.

184

Haar lievelingskleur is donkerblauw

185

Haar vader heeft al 25 jaar hetzelfde beroep

186

Haar vader is boos op de kinderen

187

Hallo! Hoe gaat het met je ?

188

Han wordt dokter in India

189

Hassan komt uit marokko

190

Heb je een pen bij je?

191

Heb je het al gehoord ?

192

Heb je je tong verloren?

193

Heb je pillen tegen misselijkheid?

194

Heb je veel geld over ?

195

Heb jij dat gebouw zien afbranden?

196

Heb jij mijn tas ergens zien staan ?

197

Heb jij ook zo’n trek in een ijsje ?

198

Heb jij toevallig geld bij je ?

199

Hebben is hebben, krijgen is de kunst.

200

Hebben jullie mijn sleutels gezien ?