Zeg na



001

Heeft u terug van vijftig ?

002

Heeft u terug van vijftig euro?

003

Hein haalt suiker en snoepjes bij de supermarkt.

004

Hein haalt suiker en snoepjes in de supermarkt

005

Henk zit steeds naar Tineke te gluren

006

Het boek gaat over een reus

007

Het boek is nog niet uit.

008

Het energiebedrijf betaal ik per twee maanden

009

Het ergste is nu achter de rug

010

Het eten was verrukkelijk.

011

Het fietsenhok is achter de school

012

Het gebeurde tien jaar geleden.

013

Het geld komt op de rekening van het bedrijf

014

Het geld ligt op tafel.

015

Het hagelde verleden winter.

016

Het heeft vandaag hard geregend

017

Het ijs is gebroken.

018

Het is erg belangrijk om Nederlands te leren

019

Het is erg koud in de winter

020

Het is hier benauwd.

021

Het is maar hoe je het bekijkt

022

Het is maar hoe je het bekijkt.

023

Het is niet helemaal gegaan zoals we (het?) verwacht hadden.

024

Het is niet helemaal gegaan zoals we bedoeld hadden.

025

Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.

026

Het is niet waar wat je zegt!

027

Het is opgehouden met regenen

028

Het kind kwam onder een auto

029

Het kind ligt op de grond te tekenen

030

Het kind ontmoette zijn vriendje bij de beek.

031

Het kind zuigt de limonade door een rietje

032

Het meisje leeft gescheiden van haar ouders

033

Het meisje was trots op haar nieuwe schoenen

034

Het moet in december klaar zijn.

035

het moet in januari klaar zijn

036

Het paard achter de wagen spannen.

037

Het paard rende op het gras.

038

Het pakje is zwaar, het weegt 5 kilo.

039

Het schilderij hangt aan de muur

040

Het schilderij hangt in een museum.

041

Het schrift is gevallen, het ligt op de grond.

042

Het spijt me, dat is uitverkocht.

043

Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.

044

Het stormde veel afgelopen najaar.

045

Het vliegtuig kwam naast de baan terecht.

046

Het vliegtuig landt op het vliegveld.

047

Het vriest vannacht

048

Het waaide erg hard vanmorgen.

049

Het zal me een worst wezen

050

Het zou fantastisch zijn als je mee gaat

051

Hier kan ik ├ęcht niet aan beginnen.

052

Hier vult u uw persoonlijke gegevens in

053

Hij bidt vijf keer per dag

054

Hij danst de hele avond.

055

Hij danste de hele avond.

056

Hij gaat fietsend naar school.

057

Hij gaat ieder weekend vissen.

058

Hij geeft het boek terug aan zijn leraar

059

Hij gelooft zijn ogen niet

060

Hij had beter moeten weten.

061

Hij had de hele avond gedanst.

062

Hij heeft de hele avond gedanst.

063

Hij heeft de hele zomer vakantie bij de zee doorgebracht.

064

Hij heeft een brief zitten schrijven

065

Hij heeft geen trek in kaas

066

Hij heeft genoeg van die melk

067

Hij heeft in de zee gezwommen.

068

Hij heeft mijn fiets geleend

069

Hij heeft trek in een broodje

070

Hij heeft verstand van tuinieren.

071

Hij heeft weinig vrienden op school.

072

Hij heeft zich nog nooit gebrand.

073

Hij heeft zin in een biertje

074

Hij herinnert zich de naam van dat meisje niet

075

Hij houdt alles voor zich

076

Hij is een beetje dom geweest.

077

Hij is een gevoelige jongen

078

Hij is geslaagd voor zijn rijexamen

079

Hij is heel erg boos op zijn broer

080

Hij is naar het eiland gezwommen.

081

Hij is vandaag laat thuis gekomen

082

Hij kent het verschil niet tussen mijn en dijn.

083

Hij ligt op de grond te tekenen

084

Hij lijdt aan een ernstige ziekte

085

Hij loopt niet in zeven sloten tegelijk.

086

Hij loopt op zijn tenen

087

Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.

088

Hij moet het wat rustiger aan gaan doen.

089

Hij passeert mij met een rotvaart

090

Hij raadt het antwoord.

091

Hij raadt naar het antwoord.

092

Hij rookt wel twintig sigaretten per dag.

093

Hij studeert aan de universiteit

094

Hij trekt zijn trui uit

095

Hij vraagt de juf om hulp

096

Hij wordt verdacht van diefstal

097

Hij zit op zijn geld.

098

Hoe gaat het?

099

Hoe kon dat zo gebeuren?

100

Hoe laat is het?

101

Hoe laat vertrekt de trein naar Amsterdam ?

102

Hoe zag hij eruit?

103

Hoe zat dat ook alweer ?

104

Hoeveel kost dat?

105

Hoeveel mensen heb je uitgenodigd?

106

Hoeveel verdien jij per uur?

107

Hoge bomen vangen veel wind.

108

Iedereen kiest zelf een opleiding

109

Iedereen wil in augustus op vakantie

110

Iemand de laan uitsturen.

111

Iemand die naar het bos liep was later verdwaald.

112

Iemand die veel geld heeft is rijk

113

Iemand voor het karretje spannen.

114

Ik begrijp het formulier niet helemaal

115

Ik begrijp het niet.

116

Ik beloof je morgen te bellen

117

Ik ben aan een kopje koffie toe

118

Ik ben aan het schrijven.

119

Ik ben bezig met een examen

120

Ik ben bezig met het plafond van mijn huis te verven.

121

Ik ben bezig met het schilderen van mijn huis

122

Ik ben bezig met schrijven.

123

Ik ben blij dat het erop zit.

124

Ik ben de hele dag aan jou aan het denken.

125

Ik ben de hele dag bezig met aan je te denken.

126

Ik ben een examen aan het maken.

127

Ik ben eindelijk achter de waarheid gekomen

128

Ik ben er niet in geïnteresseerd

129

Ik ben erg op hem gesteld

130

Ik ben erg sportief aangelegd

131

Ik ben goed in dictee en rekenen

132

Ik ben het plafond van mijn huis aan het verven.

133

Ik ben iemand die snel kan beslissen

134

Ik ben in het bezit van een nieuwe fiets

135

Ik ben in Marokko geboren, maar ik woon er niet meer

136

Ik ben klaar met mijn werk

137

Ik ben mijn portemonnee verloren.

138

Ik ben mijn stem kwijt

139

Ik ben na de les naar huis gegaan.

140

Ik ben niet tevreden met dit cijfer

141

Ik ben niet van plan om te stoppen met leren

142

Ik ben trots op mijn zoon

143

Ik ben vanavond laat thuis, ik moet overwerken.

144

Ik ben vandaag naar het park gelopen.

145

Ik ben voor mijn examen geslaagd.

146

Ik ben zeker van mijn zaak

147

Ik bestel een spijkerbroek uit de catalogus

148

Ik breng mijn fiets naar de fietsenmaker

149

Ik denk dat het bijna twaalf uur is.

150

Ik denk dat we naar rechts kunnen.

151

Ik denk niet dat we nog op tijd komen.

152

Ik doe de afwas nadat we gegeten hebben

153

Ik doe er wel een papiertje om

154

Ik doe het voor de grap

155

Ik draag niet graag een zware tas

156

Ik durf niet in het water te duiken

157

Ik fiets elke dag ongeveer een uur

158

Ik ga altijd door de week een keer zwemmen

159

Ik ga even bloemen kopen.

160

Ik ga lopend naar de bakker

161

Ik ga lopend naar mijn werk.

162

Ik ga morgen met mijn vader naar Amsterdam

163

Ik ga na de les naar huis.

164

Ik ga naar Nederland.

165

Ik ga nog even mijn tanden poetsen.

166

Ik ga straks naar school

167

Ik gedraag mij niet goed als ik dronken ben.

168

Ik geef dit boek aan jou

169

Ik had gisteren mijn boek vergeten

170

Ik had hem dat advies nooit moeten geven.

171

Ik had in Lima gewoond.

172

Ik had niet zo laat naar bed moeten gaan.

173

Ik heb daar helemaal geen zin in.

174

Ik heb de auto daarachter geparkeerd.

175

Ik heb een kat gehad toen ik kind was.

176

Ik heb een mooi weiland en vele dieren gezien.

177

Ik heb een mooie foto van mijn vriend

178

Ik heb een nieuwe fiets en een oude

179

Ik heb een poes als huisdier

180

Ik heb geen kleingeld bij me.

181

Ik heb geen tijd voor grapjes

182

Ik heb geen trek in limonade

183

Ik heb gehoord dat het volgende week mooi weer wordt.

184

Ik heb genoeg van school

185

Ik heb haar eergisteren nog gezien.

186

Ik heb in Lima gewoond.

187

Ik heb mij door vrienden laten verleiden tot gokken

188

Ik heb mijn bloemen uit de tuin verkocht.

189

Ik heb niets bijzonders bij me.

190

Ik heb nooit geld bij me.

191

Ik heb nu echt geen tijd voor je.

192

Ik heb om kwart over elf een afspraak met meneer Jansen.

193

Ik heb straks een afspraak.

194

Ik heb trek in een loempia

195

Ik heb twee koffers.

196

Ik heb vandaag in het park gelopen.

197

Ik heb vannacht slecht geslapen.

198

Ik hoop niet dat het straks gaat regenen.

199

Ik hoop niet dat het zo blijft

200

Ik hoop op een goed cijfer