Zeg na



001

Ik hoor de wekker niet tikken

002

Ik hou hem in de gaten

003

Ik hou mijn zusje in de gaten

004

Ik hou mijn zusje in de gaten

005

Ik hou van deze muziek, ik vraag deze plaat aan.

006

Ik hou van jou.

007

Ik hou van spelletjes spelen op de computer

008

Ik kan al wat Nederlands lezen

009

Ik kan een beetje Nederlands schrijven

010

Ik kom gelukkig nooit te laat op mijn werk.

011

Ik kom zo snel mogelijk

012

Ik leer Nederlands voor mijn plezier

013

Ik liep je de hele dag te bellen.

014

Ik logeer bij mijn oma

015

Ik logeer bij mijn oma

016

Ik loop de hele dag aan jou te denken.

017

Ik lust wel een wijntje

018

Ik maak me zorgen over haar

019

Ik moet een nieuwe bril.

020

Ik moet nog even boodschappen doen.

021

Ik moet nog snel boodschappen doen.

022

Ik moet nu gaan, anders kom ik te laat.

023

Ik moet plassen.

024

Ik moet vandaag nog veel doen.

025

Ik neem een aspirine tegen de hoofdpijn

026

Ik praat liever niet tegen hem

027

Ik raad naar het goede antwoord

028

Ik reken op je hulp

029

Ik schaam me voor mijn vuile handen

030

Ik schaamde me toen ik het antwoord niet wist

031

Ik schaamde me zo toen ik het antwoord niet wist.

032

Ik slaag voor mijn examen.

033

Ik slaagde voor mijn examen.

034

Ik spaar mijn geld op voor een brommer.

035

Ik speel met mijn neefje in de speeltuin

036

Ik spreek mijn vriend elke dag

037

Ik sta het plafond van mijn huis te verven.

038

Ik studeer samen met mijn vrienden in dezelfde stad

039

Ik trek vandaag mijn spijkerbroek aan

040

Ik twijfel aan de waarheid van dit verhaal

041

Ik verdien geld met een krantenwijk

042

Ik vind dit geen goed boek.

043

Ik vind gekookte eieren lekker

044

Ik vind het leuk met mensen om te gaan.

045

Ik vind dat een leuk meisje.

046

Ik vind dat geen aardige jongen.

047

Ik voel me al weer een stuk beter.

048

Ik voel me niet helemaal lekker vandaag.

049

Ik voel me vandaag niet zo lekker.

050

Ik was de hele dag bezig met je te bellen.

051

Ik was je de hele dag aan het bellen.

052

Ik was vaak te laat op mijn werk.

053

Ik weet het niet.

054

Ik weet niet hoe dat kon gebeuren.

055

Ik werk met vijftig man op 1 afdeling

056

Ik werk vijf dagen per week, acht uur per dag

057

Ik wil graag politieagent worden

058

Ik wil graag twee dozen aardbeien

059

Ik wil je even wat vragen.

060

Ik wil je wens vervullen

061

Ik woon in het centrum van de stad

062

Ik woon in Lima.

063

Ik woon naast de drogist

064

Ik woon samen met mijn familie in een dorp

065

Ik woon samen met mijn vriend

066

Ik woonde in Lima.

067

Ik zal blij zijn als het eindelijk weekend is.

068

Ik zit een examen te maken.

069

Ik zit te schrijven.

070

Ik zou niet meer alleen naar huis gaan als ik u was.

071

In de herfst vallen de bladeren van de bomen

072

In de zomer gaan veel mensen op vakantie

073

In die school wordt vanmiddag een feest gegeven

074

In geval van nood moet je 112 bellen

075

In het buitenland schijnt de zon vaker dan in Nederland

076

In Indonesië is het altijd warm

077

In Indonesië verbouwen ze veel rijst

078

In Nederland gebruiken we elke meter land

079

In Turkije zwemmen de jongens in de rivier.

080

Is dat huis te koop of te huur?

081

Is er vanavond nog wat op de televisie ?

082

Is het goed als ik wat later kom ?

083

Jan doet soms suiker door de soep

084

Jan haastte zich om de trein halen.

085

Jan is liever buiten dan binnen

086

Jan krijgt geen genoeg van zwemmen

087

Jan snijdt met het mes.

088

Jan snijdt zich met het mes.

089

Jan staat naar de televisie te kijken

090

Je geeft het energiebedrijf een machtiging

091

Je hebt groot gelijk

092

Je hoeft bij deze dokter niet te wachten

093

Je kunt geen ijzer met handen breken.

094

Je kunt geld storten op een rekening

095

Je kunt het beste automatisch betalen

096

Je kunt ook telefonisch een afspraak maken

097

Je mag hier maar 80 rijden

098

Je mag in de bus niet roken

099

Je moest die zaden niet eten.

100

Je moet daarvoor op het postkantoor zijn

101

Je moet geen oude koeien uit de sloot halen

102

Je moet hem ’s morgens met rust laten

103

Je moet je niet met die jongen inlaten

104

Je moet niet zo uit je slof schieten

105

Je moet onder aan de bladzijde kijken

106

Je ontmoet gewoonlijk allerlei soorten mensen.

107

Je weet wel, zo‘n kleine computer

108

Je zal je niet met mijn werk bemoeien.

109

Je zoekt dan in je portemonnee klein geld

110

Je zou eens beter op je woorden moeten letten.

111

Je zou het wat rustiger aan moeten doen.

112

Je zou vandaag een jas aan moeten doen.

113

Jij bent aan het praten.

114

Jij bent bezig met praten.

115

Jij gaat morgen naar de dokter

116

Jij hebt ook altijd wat !

117

Jij kan dat mooi in je zak steken

118

Jij loopt me altijd voor de voeten

119

Jij moet je bord leeg eten

120

Jij staat te praten.

121

Jij stond voor aap

122

Jullie hebben goed gewerkt

123

Jullie moeten je fiets nu repareren.

124

Jullie vinden die boeken niet mooi

125

Ik heb een nieuwe fiets en een oude

126

Ik heb kou gevat

127

Kan dat niet wat sneller?

128

Kan er iemand een dokter bellen ?

129

Kan iemand misschien een dokter bellen ?

130

Kan ik me even voorstellen ?

131

Kan ik u straks even terugbellen, het komt nu niet uit.

132

Kan ik voor morgen een tafel reserveren ?

133

Kan je iets meer over jezelf vertellen ?

134

Kan je me die schroevendraaier even aangeven.

135

Karim kijkt graag naar de Nederlandse televisie

136

Karin pikt iets van mijn bord

137

Kees heeft een tien voor de repetitie.

138

Kees heeft verstand van computers

139

Kijk naar het woord

140

Kijk nou toch eens uit wat je doet.

141

Kijk uit voor de hete thee

142

Kleine dingen betaal je meestal contant

143

Koop je daar ook kleren en schoenen?

144

Kun je me dat nog eens uitleggen ?

145

Kunnen we er niet over praten ?

146

Kunt u dat nog eens herhalen.

147

Kunt u me daar wat meer over vertellen ?

148

Kunt u mij vertellen hoe laat het is?

149

Kunt u op een andere dag niet terugkomen ?

150

Kunt u wat langzamer praten

151

Laagland betekent dat er geen bergen zijn

152

Lag je tot negen uur te slapen?

153

Lange tenen hebben.

154

Lange vingers hebben.

155

Later als je groot bent mag jij ook

156

Let op je rug

157

Lisa heeft ruzie met haar oudere broer

158

Mag het iets meer zijn ?

159

Mag ik even kijken?

160

Mag ik me even voorstellen ?

161

Mag ik u enkele vragen stellen?

162

Mag ik van u de rekening ?

163

Mag ik van u een bos tulpen ?

164

Miriam gaat het liefst elke dag winkelen

165

Marianne is een meisje. Ze is twaalf jaar

166

Marjolijn heeft het fietsen onder de knie

167

Mehmet gaat naar de groenteman, hij koopt appels

168

Merel trekt haar sok aan

169

Met de hoed in de hand kom je door het hele land.

170

Met kerstmis sneeuwde het in Nederland.

171

Mevrouw Jansen gaat naar de tandarts

172

Mijn auto is in goede staat

173

Mijn broer doet gewoonlijk de afwas

174

Mijn broertje en ik gaan naar de Kermis

175

Mijn buurman is rond de vijftig

176

Mijn fiets heeft een lekke band.

177

Mijn man en ik houden erg van paprika

178

Mijn man heeft heel goed gekookt.

179

Mijn man kookt heel goed.

180

Mijn man kookte heel goed.

181

Mijn mobiel is stuk.

182

Mijn moeder brengt mij elke dag naar school

183

Mijn moeder heeft een bloem getekend.

184

Mijn moeder is het huis aan het schoonmaken.

185

Mijn moeder houdt veel van bloemen

186

Mijn moeder is bezig met het huis schoon te maken.

187

Mijn moeder is op leeftijd

188

Mijn moeder kan niet tegen schelden

189

Mijn moeder staat het huis schoon te maken.

190

Mijn moeder tekende een bloem.

191

Mijn moeder tekent een bloem.

192

Mijn oma is 85 jaar. Ze is dus heel oud

193

Mijn oma is op die rode brommer gekomen.

194

Mijn oma is op een rode brommer gekomen.

195

Mijn oom uit Canada komt dit weekend op bezoek

196

Mijn opa en oma wonen bij mij in de buurt

197

Mijn opa en oma wonen in Turkije

198

Mijn ouders gaan op bezoek bij de buren

199

Mijn ouders hebben een nieuw huis gekocht.

200

Mijn ouders kochten een nieuw huis.