Zeg na



001

Mijn ouders kopen een nieuw huis.

002

Mijn ouders zijn erg gelukkig met elkaar

003

Mijn ouders zijn met vakantie naar Marokko

004

Mijn schoonvader heeft met de hond gewandeld.

005

Mijn schoonvader wandelde elke avond met de hond.

006

Mijn schoonvader wandelt elke avond met de hond.

007

Mijn sleutels liggen nog thuis

008

Mijn tante uit Amerika komt overmorgen

009

Mijn vader heeft gisteren mijn haar geknipt

010

Mijn vader is achter in de vijftig

011

Mijn vader werkt bij de supermarkt

012

Mijn vriend is gek op speelfilms

013

Mijn vriend wacht buiten op mij

014

Mijn vriendin is aan het werk.

015

Mijn vriendin woont om de hoek

016

Mijn vriendin zit te werken.

017

Mijn vriendin is bezig met werken.

018

Mijn vrouw past op de kinderen

019

Mijn zoontje was in tranen

020

Mijn zusje huilt bijna elke dag

021

Mijn zusje van vier gaat naar de crèche

022

Mijn zusje vouwt de was op

023

Mijn zussen praten over ditjes en datjes

024

Moeder doet boodschappen, ze koopt rijst en groente.

025

Moet je horen wat er in de krant staat.

026

Morgen is er weer een dag.

027

Morgen moet hij op voor het examen

028

Morgen neem ik een vrije dag.

029

Na regen komt zonneschijn.

030

Naar mijn mening wordt niet gevraagd

031

Naar welke school gaat uw kind na de basisschool?

032

Naar wie waren zij aan het luisteren?

033

Nederland en Duitsland hebben tegen elkaar gevochten

034

Nederland heeft de dichtste bevolking van Europa

035

Nee hè, daar gaan we weer.

036

Neem je dan gelijk wat melk mee ?

037

Neem jij de telefoon even aan ?

038

Neem jij wat geld mee?

039

Niet met volle mond praten

040

Nieuwe bezems vegen schoon.

041

Om twaalf uur is het tijd om naar huis te gaan

042

Onze dochter is al 15 jaar getrouwd

043

Onze flat kijkt uit op de markt

044

Onze kinderen hebben nog 1 oma

045

Oorlog is het tegenovergestelde van vrede

046

Op de basisschool zitten kinderen tot 12 jaar

047

Op de fiets moet je uitkijken voor auto’s

048

Op de markt koopt zij altijd sinaasappels

049

Op donderdag heb ik pianoles

050

Op mijn school zitten 1200 leerlingen

051

Op woensdagmiddag zijn de schoolkinderen vrij

052

Op zaterdag gaan we altijd naar de markt

053

Op zondag zijn bijna alle winkels gesloten

054

Opa gaat naar Amsterdam, hij gaat naar het consulaat.

055

Opschieten! Tijd is geld

056

Over een half uur komt er weer een vliegtuig.

057

Over koetjes en kalfjes praten.

058

Pas goed op je broertje

059

Pas op dat je niet valt

060

Pas op! Voorzichtig!

061

Peter doet 1 keer per week boodschappen

062

Peter speelt op school altijd in de zandbak

063

Peter vergeet zijn jas aan te trekken

064

Peter vindt een briefje van tien euro

065

Petra is gek op zuurkool

066

Resa woont op kamers

067

Saida zit op school, ze leert Nederlands.

068

Sam ruimt zijn kamer op

069

Sander houdt niet van voetballen

070

Sarah is blij met haar goede rapport

071

Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk.

072

Schoonmaken doe ik niet voor mijn lol.

073

Sinaasappels zijn erg lekker ?

074

Snel op je tenen getrapt zijn.

075

Sommige leerlingen wonen buiten de stad

076

Sommige mannen scheren zich nooit.

077

Sommige mensen keuren dat gedrag niet goed

078

Soms kan je beter zwijgen dan praten

079

Soms was de sloot te vuil, dus konden we niet zwemmen.

080

Sorry ik kan niet op dinsdag

081

Spreken is zilver en zwijgen is goud

082

Spruitjes vind ik niet lekker.

083

Tante Truus komt morgen, ze is erg aardig.

084

Tien tegen 1 dat we winnen

085

Toch is mijn tas soms aardig vol

086

Tot morgen, half 10

087

Tot nu toe heb je niets fout

088

Tot ziens!

089

Twee is teveel

090

U gaat bij de volgende stoplichten linksaf

091

U heeft te hard gereden.

092

U krijgt over een paar dagen bericht

093

U moet doorlopen tot aan het stoplicht

094

U moet hier wachten.

095

Uit de rivier kon je geen water drinken.

096

Uit het zicht, uit het hart.

097

Uit welk land komt u?

098

Utrecht heeft ook een dichte bevolking

099

Uw bankpas sturen wij via de post

100

Van al mijn vrienden is John de aardigste

101

Van harte beterschap!

102

Vandaag heb ik anderhalve kilo paprika gekocht

103

Vandaag is het een mooie dag.

104

Vandaag is het zo warm dat de mussen van het dak vallen.

105

Veel mensen vluchten voor oorlogsgeweld

106

Vind je het goed als ik even je fiets leen ?

107

Vind jij dat ook niet vervelend?

108

Vind jij die jongens ook niet lastig ?

109

Volgende keer beter.

110

Volgende keer nemen we een paraplu mee.

111

Volgende week gaan we met vakantie.

112

Volgens mij heeft hij een oogje op je

113

Volgens mij is ze gescheiden.

114

Volgens mij moeten we die kant op.

115

Voor al die dingen kunnen we op het postkantoor terecht

116

Voor je vriend moet je opkomen

117

Voorin de school is de kamer van de directeur

118

Vorig jaar zijn we naar Marokko gevlogen

119

Waar denk je aan?

120

Waar een wil is, is een weg.

121

Waar heb je het in hemelsnaam over ?

122

Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.

123

Waar is dat goed voor?

124

Waar kijk je naar?

125

Waar koop je een kaartje voor de trein?

126

Waar zijn we gebleven?

127

Waarom doet u dat nou ?

128

Waarom zeg je niets?

129

Wanneer ben je jarig ?

130

Wanneer hebben we vakantie?

131

Wanneer ik zware dingen koop ga ik op de fiets

132

Wanneer kom je nu eens op bezoek?

133

Wanneer ze wakker is, is de zon onder gegaan.

134

Waren er veel mensen op de vergadering?

135

Wat ben je aan het doen?

136

Wat is er aan de hand?

137

Wat is je voornaam?

138

Wat is uw adres?

139

Wat krijgt u ook alweer van me ?

140

Wat voeren jullie daar uit?

141

Wat voor mensen doen zulke dingen?

142

Wat was het resultaat van zijn toets?

143

Wat zou je doen als je rijk was?

144

We beginnen steeds in onze eigen taal te praten

145

We gaan aan tafel

146

we gaan daar de volgende les mee verder

147

We gaan om de beurt met de auto

148

We gaan vandaag ons huiswerk maken

149

We hadden er geen erg in

150

We hadden gisteren niet zoveel moeten drinken.

151

We hebben de trein gemist.

152

We hebben geen eigen keuken en badkamer

153

We hebben het meel voor dit brood in de molen gemaakt.

154

We hebben in februari een week vakantie

155

We hebben om 8 uur afgesproken.

156

We kijken uit naar de vakantie

157

We krijgen maar weinig klachten.

158

We moeten haast maken

159

We moeten het wat rustiger aan gaan doen.

160

We moeten morgen om drie uur bij de tandarts zijn.

161

We moeten ons voor de voetbal-training opgeven.

162

We waren blij toen we naar huis mochten.

163

We zien geen oplossing voor uw probleem.

164

We zitten aan tafel

165

Wees toch voorzichtig!

166

Weet u waar het stadhuis is?

167

Welke kant gaan we op vanaf hier?

168

Welke taart zou je willen hebben?

169

Wie A zegt moet ook B zeggen.

170

Wie is er aan de beurt?

171

Wie niet waagt wie niet wint

172

Wij hebben een klein huis gekocht

173

Wij hebben een mooie tuin met bloemen

174

Wij hebben vanmiddag in het bos gewandeld

175

Wij hebben zin in een spelletje

176

Wij krijgen morgen een examen voor wiskunde

177

Wij proberen geen fouten te maken

178

Wij strijden voor een beter milieu

179

Wij vinden die man niet aardig

180

Wij zien het vliegtuig hoog in de lucht

181

Wij zijn vrienden door dik en dun

182

Wij zitten gezellig samen te kletsen

183

Wijs het woord maar aan

184

Wil je een brief versturen?

185

Wil je geld opnemen of een pakje versturen?

186

Zal ik even met u meelopen ?

187

Ze eten in Nederland veel aardappelen

188

Ze gaan met de hele familie naar Turkije

189

Ze geeft hem altijd de schuld

190

Ze had een erg litteken op haar gezicht.

191

Ze had een erg litteken op haar gezicht.

192

Ze had een erg litteken op haar gezicht.

193

Ze heeft in haar nek een afschuwelijk litteken zitten.

194

Ze houdt niet van grapjes.

195

Ze maken een mooi huis van hout.

196

Ze woont in een huis voor oude mensen

197

Ze zeggen dat geduld wordt beloond

198

Ze zoeken weer ruzie

199

Ze zouden een paraplu hebben moeten meenemen.

200

Zeki gaat voetballen, hij is lid van een voetbalclub.

201

Zet de radio eens wat zachter !

202

Zij brandt haar vingers aan de kachel.

203

Zij gaan de bloemetjes buiten zetten

204

Zij heeft de hele nacht doorgereden zonder te stoppen.

205

Zij heeft veel invloed op haar vriendin

206

Zij houdt haar broertje voor de gek

207

Zij komt uit een grote familie

208

Zij kon bijna niet wachten tot de week om was

209

Zij kunnen heel goed zwemmen.

210

Zij zitten met hun handen in het haar.

211

Zij zullen hard moeten werken.

212

Zijn er echt geen andere mogelijkheden?

213

Zijn oom ligt op sterven.

214

Zijn vrouw had voorkeur voor een huis buiten de stad.

215

Zit toch niet zo te zeuren.

216

Zorg dat je een paraplu mee neemt, het gaat vast regenen.

217

Zou je dat wel willen?

218

Zou jij dat even voor me willen doen?

219

Zou u een beetje langzamer kunnen spreken?

220

Zou u hier even willen wachten?

221

Zou u me even willen helpen?

222

Zulke dingen kopen we in een groot warenhuis

223

Zullen we samen naar de bioscoop gaan?

224

Zullen we vanavond naar de bioscoop gaan?

225

Zwemmen in de Noordzee is lekker fris.